Waarom is buiging belangrijk?

Als je paard niet correct buigt, kun je dat vaak aan een paar dingen merken:

  • Hij valt op de binnenschouder
  • Hij loopt op de buitenschouder weg
  • De achterhand zwaait naar buiten
  • Hij leunt in de bocht in plaats van te buigen
  • Hij treedt met de achterbenen minder goed onder, waardoor hij sneller op de voorhand loopt
  • De aanleuning wordt onrustig of instabiel
  • Het tempo wordt gehaast of onregelmatig
  • Zijgangen worden moeilijker uit te voeren

Dit zijn allemaal tekenen dat de balans en buiging nog niet optimaal zijn.

Je kunt wel stelling zonder buiging hebben, maar geen buiging zonder stelling.

Stelling

Stelling is de zijdelingse buiging in de nek, vlak achter de oren van je paard.

Je vraagt stelling door met je binnenhand het hoofd van je paard licht in de richting van de wending te draaien, zodat je net het binnenste neusgat kunt zien. Zie je meer dan dat, dan is je paard vaak overgebogen.

Je binnenhand blijft zacht en beweegt eerder van de hals af dan naar je toe. Ondersteun dit met je binnenbeen op de singel. Tegelijkertijd zorgt een begrenzende buitenteugel ervoor dat je paard niet te ver buigt en netjes in balans blijft.

Correcte stelling is de basis voor een goede buiging door het hele lichaam.

Buiging

Bij correcte buiging volgt de wervelkolom van je paard de lijn van de wending die je rijdt. Als je van bovenaf naar je paard zou kijken, zie je dat zijn lichaam de gebogen lijn van de wending volgt.

Op een volte betekent dit dat hoe kleiner de volte is, hoe meer buiging er van het paard wordt gevraagd. Het paard moet zijn lichaam dan meer aanpassen aan de gebogen lijn.

Lengtebuiging is de buiging van de wervelkolom van je paard naar links of naar rechts. Daarbij is het goed om te weten dat een paard niet overal in de wervelkolom even ver kan buigen. Sommige delen zijn juist heel beweeglijk, terwijl andere delen veel beperkter bewegen.

De verschillende delen van de wervelkolom spelen hierin elk hun eigen rol:

  • De 7 halswervels (geel) hebben veel bewegingsvrijheid en kunnen relatief makkelijk naar links en rechts buigen.
  • De 18 borstwervels (paars) zijn verbonden met de ribben. Daardoor is de buiging hier beperkter; te veel buiging zou ervoor zorgen dat de ribben tegen elkaar drukken.
  • De 6 lendenwervels (rood) hebben grote uitsteeksels aan de zijkanten, waardoor de laterale (zijwaartse) buiging hier ook beperkt is.
  • Het heiligbeen (blauw), dat bestaat uit 5 vergroeide wervels, kan niet buigen.
  • De 18 staartwervels (groen) bewegen wel, maar dragen niet bij aan de lengtebuiging van het lichaam.

De belangrijkste hulpen

Binnenbeen op de singel
Het binnenbeen vraagt je paard om door zijn lichaam te buigen. Het stimuleert je paard aan om de binnenkant van zijn lichaam te verkorten en de buitenkant te verlengen.
Je binnenbeen zorgt ook voor voorwaartse impuls, waardoor het binnenachterbeen verder onder het zwaartepunt van het paard kan treden.

Buitenbeen achter de singel
Het buitenbeen bewaakt de achterhand van je paard. Het voorkomt dat deze uitzwaait. 

Binnenteugel vraagt stelling
De binnenteugel geeft de richting van de buiging aan en helpt om de hals van je paard op de gebogen lijn te positioneren.
De binnenteugel wordt niet gebruikt om je paard te sturen. Dit veroorzaakt te veel halsbuiging en zorgt ervoor dat je paard over de buitenschouder valt.

Buitenteugel controleert de buitenschouder
De buitenteugel helpt te voorkomen dat de hals te veel buigt en geeft je controle over de buitenschouder, zodat het paard niet naar buiten valt.
De buitenteugel helpt ook om het tempo (ritme) te controleren. De buitenteugel ‘stuurt’ de voorhand naar binnen.

Kijk in de richting waar je naartoe rijdt
Houd je hoofd omhoog en kijk in de richting die je rijdt.

Gewichtsverdeling
Houd iets meer gewicht op je binnenste zitbeenknobbel, terwijl je rechtop blijft zitten. Leun niet naar binnen.

Door iets meer gewicht op de binnenste zitbeenknobbel te hebben is het makkelijker voor het paard om de buitenkant te verlengen en het binnen achterbeen meer te laten ondertreden.

Schouders volgen de schouders van je paard
Draai je schouders vanuit je middel licht naar binnen zodat ze gelijk zijn aan de schouders van je paard (rode lijnen). Let hierbij op dat je niet gaat buiging in je bovenlichaam.

Heupen volgen de heupen van je paard
De binnenheup van de ruiter blijft iets open zodat de gelijk is aan de heup van het paard (groene lijnen).

Correcte buiging verbetert balans, souplesse en controle op cirkels, in hoeken en in wendingen, en helpt je paard na verloop van tijd meer laterale souplesse te ontwikkelen.

Boost jouw houding & zit!

Met de online training verbeter jij jouw houding & zit in 6 weken

Een juiste beugellengte is een belangrijk element voor een juiste houding en zit. In de online training Boost jouw houding & zit! duiken we dieper in:

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *